In gebieden die hoog boven zeeniveau liggen is de lucht koud en ijl. Zonnestralen zijn bovendien scherper. Daar komt nog bij dat zowel het terrein als het klimaat in de bergen onbetrouwbaar zijn. Wie plotseling naar hoger gelegen gebieden reist, krijgt last van zuurstoftekort. Dat uit zich in duizeligheid, misselijkheid en mogelijk bewustzijnsverlies. Als het lichaam voldoende tijd krijgt om aan de hoogte te wennen, treden deze verschijnselen niet op. Het past zich dan geleidelijk aan de lage luchtdruk en het zuurstofgebrek aan.
Bij het spreken over hoogtes zijn drie categorieën te onderscheiden. Een niveau van 1500 tot 3500 meter wordt hoog genoemd. Heel hoog heet een niveau van 3500 tot 55000, daarboven is sprake van extreme hoogte. Medische problemen doen zich in het algemeen voor vanaf 2500 meter. Vooral slapen op dat niveau kan problemen geven. Bij hoogtes vanaf 2800 meter bestaat een reële kans op hoogteziekte tijdens de nacht.
Als het lichaam onvoldoende in staat zich aan te passen aan de omstandigheden op grotere hoogtes, ontstaat hoogteziekte. Lees verder over de verschijnselen en de verschillende stadia. Hoogteziekte is met goede voorzorgsmaatregelen in veel gevallen te voorkomen.